Draadloos (Bedrijf)
Overzicht
Op deze pagina kunt u de draadloze instellingen configureren bij gebruik van IEEE 802.1x.
Communicatiemodus
Er zijn twee soorten draadloze netwerken: infrastructuur en ad hoc.
Infrastructuur
Netwerken in de infrastructuurmodus hebben een centraal toegangspunt, meestal een draadloze router. Het Brother-apparaat ontvangt alle afdruktaken via dit centrale toegangspunt.
Naam draadloos netwerk (SSID)
De SSID (Service Set Identifier) specificeert welk draadloos netwerk gebruikt moet worden.
Kanaal
Draadloze Ethernet-netwerken gebruiken kanalen. Er kunnen maximaal 13 kanalen worden gebruikt. In veel landen is het beschikbare aantal kanalen echter beperkt.
Authenticatiemethode en versleutelingsmodus
De meeste draadloze netwerken gebruiken bepaalde beveiligingsinstellingen.
Deze beveiligingsinstellingen bepalen de authenticatie (de manier waarop het apparaat zich bij het netwerk bekend maakt) en de versleuteling (de manier waarop de gegevens versleuteld worden wanneer deze naar het netwerk gestuurd worden).
Als u tijdens het configureren van het draadloze apparaat bij deze opties een fout maakt, kan het apparaat geen verbinding met het draadloze netwerk maken.
Deze opties moeten derhalve zorgvuldig geconfigureerd worden.
Raadpleeg de onderstaande informatie als u wilt weten welke vormen van verificatie en versleuteling het draadloze apparaat ondersteunt bij gebruik van IEEE 802.1x.
Authenticatiemethoden
Het apparaat ondersteunt de volgende methoden die IEEE 802.1x gebruiken:
LEAP
Cisco® LEAP (Light Extensible Authentication Protocol) is ontwikkeld door Cisco Systems, Inc. en gebruikt voor de verificatie een gebruikersidentificatie en wachtwoord.
EAP-FAST/PEAP/EAP-TTLS
Cisco® EAP-FAST (Extensible Authentication Protocol-Flexible Authentication via Secure Tunneling)/ PEAP (Protected Extensible Authentication Protocol) /EAP-TTLS (Extensible Authentication Protocol-Tunneled Transport Layer Security) werken met een gebruikersnaam en wachtwoord voor de verificatie. U kunt het servercertificaat verifiëren met het CA-certificaat.
EAP-TLS
EAP-TLS (Extensible Authentication Protocol-Transport Layer Security) werkt voor de verificatie met een gebruikersnaam en clientcertificaat.
U kunt het SSL-servercertificaat ook verifiëren met het CA-certificaat.
Interne verificatiemethoden
U moet een van de interne verificatiemethoden opgeven, afhankelijk van uw selectie.
Dit apparaat ondersteunt de volgende interne verificatiemethoden:
- GEEN
- MS-CHAPv2
- GTC
- MS-CHAP
- CHAP
- PAP
GEEN
MS-CHAPv2 wordt gebruikt voor het doorvoeren van mutaties (provisioning) en de methode voor EAP-FAST behorend bij de verificatiemethode voor de tweede fase.
MS-CHAPv2
MS-CHAPv2 (Microsoft-Challenge Handshake Authentication Protocol versie 2) is een interne verificatiemethode voor EAP-FAST/PEAP/EAP-TTLS.
GTC
GTC (Generic Token Card) is een interne verificatiemethode voor EAP-FAST/PEAP.
MS-CHAP
MS-CHAP (Microsoft-Challenge Handshake Authentication Protocol) is een interne verificatiemethode voor EAP-TTLS.
CHAP
CHAP (Challenge Handshake Authentication Protocol) is een interne verificatiemethode voor EAP-TTLS.
PAP
PAP (Password Authentication Protocol) is een interne verificatiemethode voor EAP-TTLS.
Versleutelingsmethoden
Versleuteling wordt gebruikt om de gegevens zelf te beveiligen. Dit apparaat ondersteunt de volgende methoden:
TKIP
TKIP (Temporal Key Integrity Protocol) heft de voorspelbaarheid op die kon worden misbruikt om de beveiliging te kraken (dit was mogelijk met handmatig toegewezen WEP-sleutels).
TKIP-sleutels worden automatisch toegewezen en zijn langer dan WEP-sleutels.
AES
AES (Advanced Encryption Standard) is een door Wi-Fi® geautoriseerde krachtige versleutingsnorm.
CKIP
Het oorspronkelijke Key Integrity Protocol voor LEAP van Cisco Systems, Inc.
Gebruikersnaam
Voer de gebruikersnaam in voor IEEE 802.1x-verificatie.
Wachtwoord
Voer het wachtwoord in voor IEEE 802.1x-verificatie. (U hoeft het wachtwoord niet in te voeren als u EAP-TLS gebruikt.)
Clientcertificaat
Selecteer het clientcertificaat voor EAP-TLS-verificatie.
Om het clientcertificaat te kunnen selecteren moet u het op voorhand instellen op de pagina Certificaat configureren. (U hoeft het clientcertificaat niet te selecteren als u een andere verificatiemethode als EAP-TLS gebruikt.)
Verificatie servercertificaat
Selecteer de verificatiemethode voor het servercertificaat.
(U hoeft de verificatiemethode niet te selecteren als u LEAP gebruikt.)
Geen verificatie
Het servercertificaat wordt vertrouwd zonder verificatie.
CA-cert.
Het servercertificaat dat door de certificeringsinstantie is verleend, wordt geverifieerd met het CA-certificaat dat in dit apparaat is geïnstalleerd.
Om een CA-certificaat te kunnen gebruiken moet u het op voorhand instellen op de pagina Certificaat configureren.
CA-cert. + server-id
Het servercertificaat (verleend door de certificeringsinstantie op basis van het CA-certificaat dat in dit apparaat is geïnstalleerd) en de algemene naam (server-id) worden geverifieerd. U moet het CA-certificaat op voorhand instellen op de pagina Certificaat configureren.
Server-id
Voer de server-id in voor verificatie van het servercertificaat.
De server-id is de algemene naam van het servercertificaat.
Certificaat
Als u een cliëntcertificaat of CA-certificaat gebruikt, moet u het CA-certificaat op voorhand instellen op de pagina Certificaat.